Home » Toetsen » Rassenonderzoek » Projecten rassenonderzoek » Afgeronde projecten » Speerpunten voor het methodiekenonderzoek 2012 en overzichten 2011
Speerpunten voor het methodiekenonderzoek 2012 en overzichten 2011
De speerpunten voor het methodiekenonderzoek voor 2012 zijn vastgelegd.
De afdeling Rassenonderzoek werkt aan diverse projecten om de efficiëntie en kwaliteit van registratieonderzoek te verbeteren: het methodiekenonderzoek. In september vond een bijeenkomst plaats om het bedrijfsleven te informeren over de status en uitkomsten van deze onderzoeken.
In 2011 is in het kader van methodiekenonderzoek aan diverse projecten gewerkt. Een greep hieruit:
Technische beschrijvingsprotocollen
Het maken van nationale protocollen voor tachtig (met name bloemisterij)gewassen.
Deze gewassen hadden alleen nog een Linneaanse beschrijving. Een Linneaanse beschrijving is een beschrijvende tekst van alle onderdelen van de plant en bloem. B.v. Plant van 30/40 cm hoog, opgaand, takken dicht behaard met enkelvoudige haren etc. In een protocol wordt een vast aantal kenmerken gebruikt die zijn opgesplitst in klassen. Bv. Planthoogte hoogte: 8 hoog te zeer hoog. Takken beharing: 9 aanwezig.
In 2006 is van het CPVO het verzoek gekomen om de Linneaanse beschrijvingen om te zetten in een UPOV-conform protocol (format). In het RKO-onderzoek worden jaarlijks van ca. 60 – 90 soorten onderzocht waar geen UPOV-guidelines beschikbaar voor zijn. Deze betreffen meer dan 150 aanmeldingen op jaarbasis.
Naast de omzetting van Linneaanse beschrijvingen in een UPOV-conform protocol zal ook onderzoek moeten worden gedaan naar expressie van kenmerken van individuele soorten/cultivars. Bijvoorbeeld meetkenmerken in Linneaanse beschrijvingen, weergegeven in bv centimeters, moeten worden omgezet in klassen en scores. Hiervoor zal in een groot aantal gevallen collecties van bepaalde soorten moeten worden onderzocht om deze klassenindelingen vast te stellen.
Inmiddels is het gebruik maken van Nationale Protocollen voor die gewassen waarvoor er geen CPVO-protocol of UPOV-richtlijn beschikbaar is opgenomen in de standaard werkzaamheden van Naktuinbouw, ook voor gewassen met weinig aanvragen.
Amateurrassen
Circa honderd amateur- en landrassen zijn onderzocht en opgenomen in de Nationale Rassenlijst.
Aanleiding van het project. Er zijn zowel binnen de landbouwsector alsmede de groentesector rassen die instandgehouden worden of verkocht worden zonder dat deze rassen geregistreerd zijn en geregistreerd kunnen worden. Dit zijn bijvoorbeeld oude landrassen die niet aan de voorwaarde van uniformiteits- of cultuurwaarde voldoen of rassen die ontwikkeld zijn voor teelt onder bijzondere omstandigheden (bijvoorbeeld voor volkstuintjes).
Binnen Europa wordt erkend dat er een behoorlijk risico is op verlies van genetische variatie en genetische bronnen als deze rassen niet op een degelijke manier geregistreerd worden met de daarbij behorende keuring. Ook wordt erkend dat het inzichtelijk moet worden om hoeveel en welke rassen het gaat. Om het risico op verlies van deze genetische variatie en genetische bronnen tegen te gaan en om inzicht te krijgen om hoeveel en welke rassen het gaat zijn de EU landbouwrichtlijn 2008/62 over het in de handel brengen van zaaizaad en pootaardappelen van landrassen en instandhoudings-rassen en de EU groenterichtlijn 2009/145 over het in de handel brengen van zaaizaad van instandhoudingsrassen en amateurrassen, opgesteld en aangenomen.
Een Conservation Variety hoeft pas geregistreerd worden indien er een omzet wordt gegenereerd van meer dan € 500 met het verhandelen van het ras. Reden hiervoor is dat anders mogelijk de kosten voor het onderzoek niet in verhouding staan tot de opbrengsten van het ras. Het ras mag niet in het Nederlands Rassenregister zijn opgenomen en de afgelopen 2 jaar daar ook niet in opgenomen zijn geweest.
Eind 2009 zijn er door 11 verschillende bedrijven 173 rassen opgegeven die in aanmerking zouden kunnen komen om geregistreerd te worden als conservation variety. 19 van deze rassen behoorde tot gewassen die niet onder de EU regelgeving vallen en daarom niet lijstplichtig zijn. Tevens bevonden 3 rassen zich reeds op de reguliere Europese lijst. Uiteindelijk zijn er 94 groenterassen en 13 landbouwrassen aangemeld.
Er zijn 71 rassen waarvan het onderzoek is afgerond. Er zijn hiervan 63 rassen positief gerapporteerd en er zijn 8 rassen afgewezen. Deze 8 rassen werden om verschillede reden niet toegelaten. Deze reden zijn: De aanmelding was mix van meerdere rassen; Het aangemelde ras bleek een ander ras dan opgegeven; De aanmelding voldeed niet aan de uniformseis. Er zijn 16 rassen stopgezet redenen hiervan waren: Er werd geen monster ingestuurd; Het monster had geen of onvoldoende kiemkracht; Het ras werd door de aanvrager ingetrokken
Op dit moment zijn er nog 20 rassen in onderzoek en worden eind 2011 of in het eerste kwartaal van 2012 gerapporteerd.
CONCLUSIES
Onderstaand zijn de conclusies van dit project uiteengezet.
Er zijn minder aanmeldingen ingestuurd dan bij inventarisatie naar voren waren gekomen
Er ontbreken aanmelders die rassen verhandelen en rassen waarvan bekend is dat ze verhandeld worden (taak keuringen)
Er is weinig kennis over het ras en rasbegrip bij aanmelders waardoor er nauwelijks bruikbare beschrijvingen zijn ingeleverd
De hoeveelheid in te sturen zaden/planten mag minder zijn dan bij gewone toelatingsaanvragen
Uniformiteitseis is op 10% gesteld (zie tabel in bijlage voor uitleg)
Beoordeling kan aan 1 proeftuinveldje (halvering aantal planten t.o.v. gewone aanvraag)
Het op ‘papier’ toelaten is naar aanleiding van het vorige punt dan ook (nog) niet mogelijk
Resistenties opnemen in rapport op basis van de verklaring van de aanmelder en niet zelf toetsen.
“Risico” op (onbekende) synoniemen in andere landen, met name bij vertaling, zodat eenzelfde ras in meerdere landen wordt toegelaten onder een andere naam
Er is nog veel onduidelijkheid over keuring en kosten na toelating van het ras.
Beeldanalyse.
De beeldanalyse en fotoapparatuur zijn aangepast om kenmerken zoals cotylen in biet en de vorm en lengte van bonen te kunnen meten; de drempelwaarden van de moleculaire afstanden in aardappel zijn vastgesteld om te bepalen of bepaalde rassen wel of niet worden meegenomen in onderzoek naar onderscheidbaarheid;
CMS aantonen op basis van moleculaire merkers
In samenwerking met het bedrijfsleven is onderzocht of op basis van DNA-gegevens het kenmerk CMS (mannelijke steriliteit) in koolsoorten bepaald kan worden, zodat het opzetten van een extra bloeiproef overbodig is. De conclusie is dat het aanwezigheid van CMS is aan te tonen d.m.v. een merken. Het is echter niet aan te toten als een ras manelijk steriel is op basis van andere genetische kenmerken zoals GMS. In het geval er mannelijke steriliteit wordt geclaimd door de aanvragen en de merker (die aan het CMS kenmerk is gelinkd) aangetoond wordt hoeft dit kenmerk niet in het veld te worden onderzocht. Mocht er echter mannelijke steriliteit worden geclaimd door de aanvrager en de merken niet worden gevonden, dan zal middels een bloeiproef moeten worden aangetoond of een aanvraag mannelijk steriel is of niet.
Combinatie van morfologische en moleculaire merkers bij aardappelen
In het project “Combinatie van morfologische en moleculaire merkers bij aardappelen” dat eind 2009 werd afgesloten, is een theoretische drempelwaarde berekend voor de moleculaire afstand waarboven rassen met een zekere waarschijnlijkheid kunnen worden uitgesloten van de referentieset die in het veld moet worden beoordeeld. Een deel van de rassen (54) die in dit project zijn gebruikt wordt in 2010 uitgepoot. Van deze rassen wordt ook het DNA profiel geverifieerd (door de afdeling O&O).
Naast deze set van bekende rassen worden ook de nieuwe aanvragen voor kwekersrecht van 2009 en 2010 in dit project gebruikt voor de validatie van de drempelwaarden.
De DNA profielen van deze rassen zijn bekend (afd. O&O).
Alle rassen worden in 2010 beschreven op basis van het CPVO protocol TP/23/2.
Op basis van de gevalideerde morfologische data en de bijbehorende DNA profielen worden de rasafstanden opnieuw berekend (Biometris), waaruit een drempelwaarde kan worden afgeleid voor de moleculaire afstand waarboven rassen kunnen worden uitgesloten van de referentieset.
Klik op de volgende links om de resultaten te bekijken: BMT/13/10 en BMT/13/10 Add.


